Interview met: K. van Breederode en F. Mantje
Organisatie: ANBO-Amsterdam
Datum: 30 januari 2003
Onderwerp: visie op ov-tarieven en kortingsregeling voor ouderen
De heer van Breederode is secretaris van de commissie verkeer en vervoer van ANBO gewest Amsterdam en zit namens de ouderenbonden in de Reizigersadviesraad voor Amsterdam. De heer Mantje is werkzaam voor het COSBO-Amsterdam, levert
ondersteuning aan de commissie Verkeer en Vervoer van de ANBO Amsterdam en thans aan de heer van Breederode.
De ANBO en het COSBO komen op voor de belangen van ouderen op alle voor
ouderen relevante beleidsterreinen. ANBO-Amsterdam vertegenwoordigt m.b.t. verkeer en vervoer ook de andere ouderenbonden in Amsterdam.
In het interview zijn achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan de orde
gekomen:
1.
huidige kortingsregeling voor de ouderen;
2. financiering van de korting;
3.
belang van het openbaar vervoer voor ouderen;
4.
effecten voor vervoerspositie voor ouderen wanneer de korting
verandert;
5.
toekomstig tariefsysteem: algemeen, welke elementen vindt men van
belang voor tariefontwikkeling;
6.
toekomstig tariefsysteem: specifieke positie van ouderen, daarbij
aandacht voor
nationaal/ decentraal tariefbeleid.
1. Huidige kortingsregeling voor de ouderen
De huidige kortingsregeling waarbij de ouderen gebruik kunnen maken van de roze strippenkaart werkt goed volgens de ANBO. De kortingen stimuleren duidelijk de
maatschappelijke participatie van ouderen, waarvoor de korting ook bedoeld is.
De argumentatie om de kortingen in het leven te roepen was drieledig, namelijk het stimuleren van de maatschappelijke participatie van ouderen, het tegengaan van de mobiliteitsbeperkingen van ouderen door lichamelijke ongemakken en het
compenseren van de slechte inkomenspositie van ouderen.
Daarnaast is er nog een ander argument om ouderen korting te geven. De ouderen kunnen namelijk beschouwd worden als een grootgebruikersgroep die recht heeft op korting.
2. Financiering van de korting
De financiering van de korting loopt via de Rijksoverheid. Via welk budget of ministerie de kortingen lopen, is de ANBO om het even zolang de kortingen maar in stand blijven en de het uitvoeringssysteem daarvoor zo efficiënt en zuinig mogelijk is. Het lijkt de ANBO daarom het verstandigst het lopende systeem te handhaven.
De ANBO is verder van mening dat de kortingen al verdisconteerd zijn in de hoogte van de AOW. Als de kortingsregelingen opgeheven worden, dient dit derhalve
gecompenseerd te worden door een verhoging van de AOW.
3. Belang van het openbaar vervoer voor ouderen
en
4. Effecten voor vervoerspositie voor ouderen wanneer de
korting verandert
In de huidige situatie bedraagt de korting zo'n 37% op het strippenkaarttarief van een vijftien-strippenkaart. Vervallen van de seniorenkorting op het strippentarief zou voor de 65-plussers een prijsverhoging van 60% betekenen.
De ANBO schat dat minstens zo'n 50% van de ouderen de korting echt nodig heeft om mobiel te kunnen zijn. Er is immers pas vanaf de jaren zestig sprake van een
acceptabele pensioenopbouw. Veel van de huidige ouderen beschikken daarom nog niet over een acceptabel pensioen. Hun levenskwaliteit wordt aangetast als de korting wordt
opgeheven.
Al een geruim aantal jaren, zoals o.a. in de jaren tachtig naar voren kwam in de
publicaties "Ouderen in de Rode Cijfers" van het Amsterdams gecoördineerd ouderenwerk, is zichtbaar dat door de cumulatieve tariefstijgingen in meerdere sectoren, b.v. de woonlasten en de gezondheidszorg, ouderen bezuinigen op niet-primaire
levensbehoeften. Hieronder vallen ook verplaatsingen, en dan vooral verplaatsingen uit sociaal en recreatief oogpunt, zodat de maatschappelijke betrokkenheid van ouderen
afgenomen is en afneemt.
Opheffen van de korting zou deze trend verder versterken. Dat zou in flagrante
tegenspraak zijn met het landelijk en decentraal ouderenbeleid, waarin meer
maatschappelijke participatie van ouderen juist een kernpunt is.
Als de korting op het ov vervangen zou worden door een algemene verhoging van de AOW zou het ov-gebruik van ouderen volgens de ANBO tòch afnemen door de hogere ov-tarieven.
Door de onzichtbaarheid van zo'n compensatie zal deze gezien worden als welkome aanvulling op het algemene budget, en zal een deel van het geld dan ook uit pure noodzaak voor andere doeleinden gebruikt worden.
Bij het kopen van ov-kaarten zal men alsnog terugschrikken voor de enorm gestegen prijs, en daarom minder van het ov gebruik maken.
Ten aanzien van de hoogte van de ov-tarieven vindt de ANBO dat de tarieven eigenlijk omlaag moeten, maar in ieder geval niet sterker moeten stijgen dan de inflatie. Het
gebruik van het openbaar vervoer moet namelijk stijgen om de bereikbaarheid te
verbeteren en het milieu te sparen.
Stijging van de tarieven zou leiden tot afbraak van het openbaar vervoer. Een voor-bode van de reacties die een sterke tariefsverhoging onder de ouderen in Amsterdam zou kunnen oproepen is de recente tariefsverhoging van de Stadsmobiel, een combi-natie van WVG en ouderenvervoer. Deze tariefsverhoging leverde zoveel protest op dat hij binnen korte tijd is teruggedraaid.
Een veelgehoorde gedachte van vervoerautoriteiten en vervoerders is om onderscheid te maken tussen spits- en daltarieven. Ouderen mogen dan in de daluren met korting reizen.
Dit beperkt echter volgens de ANBO de bewegingsvrijheid van ouderen. Bij lange
reizen met in één dag uit en thuis wordt het onmogelijk om van de korting gebruik te
maken. Daarnaast mag ervan uitgegaan worden dat ouderen al zoveel mogelijk buiten de spits reizen en alleen in de spits reizen als het echt niet anders kan. Tegen die
achtergrond is het onrechtvaardig ouderen het volle tarief te laten betalen in de spits.
Bovendien zou het in het stads- en streekvervoer ook een discriminatie van de ouderen zijn t.o.v. anderen. Anderen hoeven immers in de spits ook niet méér te betalen dan buiten de spits.
5. Toekomstig tariefsysteem: algemeen welke elementen vindt
men van belang voor tariefontwikkeling
en
6. Toekomstig tariefsysteem: specifieke positie van ouderen,
daarbij aandacht voor nationaal/decentraal tariefbeleid
De ANBO is van mening dat decentralisatie van de tarieven en met name van de
kortingen leidt tot een onoverzichtelijk tariefsysteem dat voor de ouderen niet of nauwelijks meer te volgen is.
De ANBO pleit dan ook voor een doorzichtig systeem van tarieven en kortingen,
waarbij de kortingen gehandhaafd moeten blijven op het huidige niveau.
Daarbij komt dat een mogelijkheid van regionaal uiteenlopen van kortingen (c.q. de toepassing daarvan) leidt tot rechtsongelijkheid tussen ouderen in verschillende
regio's. Daarom is de ANBO van mening dat de het systeem van kortingen uniform moet zijn voor alle regio's en landelijk geregeld moet blijven.
De ANBO vraagt zich voorts af waarom voorgesteld wordt de jongerenkorting landelijk te laten blijven, maar waarom bij de seniorenkorting de bevoegdheid gedecentraliseerd zou moeten worden om deze desgewenst te laten vervallen.
De ANBO is er voorstander van om ook voor mensen onder de 65 jaar met een
beperking in hun mobiliteit een kortingstarief in te voeren. Dit op grond van dezelfde
motieven waardoor ouderenkorting gerechtvaardigd is: in het algemeen een minder
florissante inkomenspositie, minder alternatieve verplaatsingsmogelijkheden en dus meer aangewezen op het ov, enz.
Als er voor alle tarieven een landelijk plafond en een landelijk kortingspercentage voor ouderen wordt vastgesteld, en een regio zou besluiten onder het landelijk tarief te gaan zitten om het ov extra te stimuleren, dan is logisch dat ouderen en anderen daar geen bezwaar tegen zullen aantekenen.
Gezien de bezuinigingen op het ov acht de ANBO het echter weinig reëel om te
verwachten, dat de regio's tot dergelijke lagere tarieven zullen overgaan.
Het standpunt van de ANBO ten aanzien van de ouderenkorting is overgenomen door B&W van Amsterdam en de Regioraad van het ROA. Bovendien hebben deze partijen de wens van de ANBO overgenomen dat het standpunt ook bepleit moet worden bij de andere regio's.
Ook de Tweede Kamerfracties van de politieke partijen zijn door de ANBO benaderd. Bijna alle fracties hebben aangegeven achter het standpunt van de ANBO te staan en de decentralisatie van de ouderenkorting niet te steunen.
Een ander negatief aspect van de decentralisatie is de te verwachten toename van de overheadkosten voor alle regio's, o.a. door de toegenomen complexiteit van de
tariefsystemen, de technische incorporatie van alle varianten in de chipkaart en de
verantwoordelijkheid om eigen regionale voorlichting op te zetten.
Een interessante vraag in dit kader is volgens de ANBO welke besparingen het zou
opleveren om de kortingsregelingen niet te decentraliseren. Een kosten/baten-analyse is hier op zijn plaats, met de kanttekening dat er wel lasten maar géén baten zijn voor die regio's waar men de korting handhaaft, omdat de extra overheadkosten toch gemaakt moeten worden. Bij gelijkblijvend ov-budget zal e.e.a. dus ten koste moeten gaan van de kwaliteit en/of kwantiteit van het ov in die regio's.
In geval van honorering van het decentralisatieplan zouden ouderen er dus in beide gevallen op achteruitgaan: zowel in regio's waar de seniorenkorting afgeschaft wordt, als in regio's waar de korting gehandhaafd wordt.
|