Dit venster sluiten en teruggaan

amsterdamse seniorenraad

adviesraad voor ouderenbeleid

secretariaat:
passeerdersgracht 32
1016 XH  amsterdam
postbus 1650
1000 BR  amsterdam
telefoon 552 33 90
fax 552 23 41

Aan de Wethouder Verkeer, Vervoer en
Infrastructuur van de gemeente Amsterdam,
de heer M. van der Horst
Postbus 202
1000 AE Amsterdam

behandeld door

Jeb Beelen

kenmerk

B2002/74

datum

10.10.2002

 

 

 

Geachte heer Van der Horst,

 

Op 6 november a.s. zullen de decentrale overheden een besluit nemen over het eindrapport van de werkgroep tarievenbeleid over een gezamenlijk tariefsysteem decentrale overheden.

Met het oog daarop wil de Amsterdamse Seniorenraad uw aandacht vragen voor het volgende.

 

Er wordt al een aantal jaren gewerkt aan een chipcard voor het openbaar vervoer. Zodra die er is, zal de minister geen gebruik meer maken van zijn bevoegdheid om de nationale tarieven en vervoerbewijzen vast te stellen.

Met de introductie van marktwerking in het OV is een start gemaakt met het in (op termijn) alle vervoerregio's aanbesteden van het OV.

De decentrale overheden kunnen in dat kader ook hun tarieven vaststellen.

De Seniorenraad is verheugd dat de decentrale overheden ervoor gekozen hebben om t.b.v. de overzichtelijkheid en inzichtelijkheid gezamenlijke elementen voor die decentrale tariefsystemen te formuleren. In het eindrapport van de werkgroep worden die gezamenlijke elementen benoemd; daarnaast worden voorstellen gedaan voor een aantal vrijheden.

 

De keuze voor een tariefsysteem op reisniveau met uniforme vaste voet (variant 5) en decentrale variatiemogelijkheden voor de kilometerprijs, is te billijken.

De keuze van de tariefkilometer i.p.v. gereden of hemelsbrede kilometer lijkt zeker redelijk. De tariefkilometer biedt immers de mogelijkheid om omwegen niet in rekening te brengen en voorkomt doorwerking van routevariaties in de tarieven.

De Seniorenraad vreest echter voor problemen op een aantal punten.

 

Zo zouden wij het vervallen van de mogelijkheden om de terugreis binnen het reisbegrip te laten vallen, betreuren. De huidige kostenderving lijkt niet erg groot, terwijl de klant het vervallen van de mogelijkheid als een bijna-verdubbeling van de kosten voor een deel van de ritten kan ervaren.

 

Ook m.b.t. de maximale overstaptijd voorzien wij problemen. Voor een substantieel deel van de gevallen zal 35 minuten niet voldoende zijn voor een overstap, ook waar die noodzakelijk is om de gewenste reis te kunnen maken. Als de overstap niet binnen de maximale tijd gemaakt kan worden door omstandigheden waar de reiziger geen invloed op heeft, gaat het niet aan de reiziger daarvan de rekening te laten betalen (door het opnieuw in rekening brengen van de vaste voet).

Waar nodig zal de maximale overstaptijd aangepast moeten worden aan de dienstregeling.

 

Daarnaast is de vraag hoe de vormgeving van de genoemde pardonneringsprocedu- res zal zijn. Zijn die procedures soepel en simpel, bijvoorbeeld ingebouwd in het systeem? Of moet de klant in geval van vertraging naast de overlast daarvan ook nog de extra inspanning plegen om een beroep op de pardonneringsprocedures te doen?

Als de negatieve aspecten voor de klant op dergelijke punten niet voorkomen kunnen worden, zou toch nog eens gekeken moeten worden naar variant 1 (geen vaste voet, geen minimumtarief), waarover in het rapport terecht gesteld wordt dat dit voor de klant een heel duidelijk en logisch systeem is. Het enige bezwaar daartegen (tarief nul bij tariefkilometer nul) is wellicht op andere wijze te ondervangen.

Een belangrijk punt voor de Seniorenraad is de ouderenkorting.
In het rapport wordt het kortingsbeleid voor allerlei doelgroepen gerekend tot de vrijheden op decentraal niveau.
De Seniorenraad wil er bij u op aandringen de ouderenkorting te handhaven op minimaal het huidige niveau.
Afschaffing daarvan zou voor ouderen een substantiële prijsverhoging van het openbaar vervoer betekenen. Een verhoging die alleen maar harder aankomt bij de stijgende tarieven in het openbaar vervoer.
Al jaren wordt erkend dat m.b.t. ouderen het beleid juist niet mobiliteitsremmend zou moeten zijn. Voor deelname aan het maatschappelijk verkeer is deelname aan het 'gewone' verkeer vaak noodzakelijk; ouderen verkeren op dit punt nogal eens in een achterstandssituatie.
Substantiële prijsverhogingen van het openbaar vervoer zullen een deel van de ouderen ertoe brengen alsnog te kiezen voor de auto. Een keuze die gezien de huidige congestieproblematiek niet in het algemeen belang is.
Andere ouderen, die die keuzemogelijkheid niet hebben, zullen zich domweg minder kunnen verplaatsen. Daarmee worden zij beperkt in hun mogelijkheden voor participatie en zelfredzaamheid.
Om die reden dringt de Seniorenraad er bij u op aan de ouderenkorting niet alleen in Amsterdam en de regio te handhaven, maar ook te bevorderen dat dit op landelijk niveau gebeurt. Amsterdamse ouderen komen ook wel buiten de regio en het komt de overzichtelijkheid van het geheel ten goede.

In dit kader willen wij er ook op aandringen om de korting, net als nu, niet te beperken tot daluren. Een dergelijke beperking lijkt ingegeven door de veronderstelling dat mensen kunnen kiezen voor vervoer buiten te spits. Ook voor ouderen, zelfs als zij niet meer betaald werken, is die keuzemogelijkheid er echter lang niet altijd. Bezoek aan voorzieningen, het doen van vrijwilligerswerk en tal van andere verplichtingen maken vervoer in de spits ook voor ouderen vaak noodzakelijk.

De Amsterdamse Seniorenraad vertrouwt erop dat u met deze opmerkingen rekening zult houden in uw beleidskeuzes.
Graag zullen wij hierover een keer met u van gedachten wisselen.


Met vriendelijke groet,
namens de Amsterdamse Seniorenraad,



Jeb Beelen
algemeen secretaris

 

 

 

Wilt u deze pagina printen (2 blz.)? Klik dan hier .

Klik om dit venster weer te sluiten